Behandeling met opioïdeagonisten – actuele situatie in Europa (Europees Drugsrapport 2024)
Opioïdengebruikers vormen de grootste groep cliënten die een gespecialiseerde behandeling volgen. Zij worden voornamelijk behandeld met opioïdeagonisten. Op deze pagina vind u de meest recente analyse van de verstrekte behandelingen met opioïdenagonisten in Europa, waaronder belangrijke gegevens over dekking, het aantal personen in behandeling, toegangstrajecten voor behandeling en meer.
Deze pagina maakt deel uit van het Europees Drugsrapport 2024, het jaarlijkse overzicht van het EMCDDA over de drugssituatie in Europa.
Voor het laatst bijgewerkt op: 11 juni 2024
Behandeling van opioïdegerelateerde problemen verslindt nog steeds de meeste middelen
Hoewel personen die om hulp vragen bij drugsproblemen nu heterogenere kenmerken vertonen, nemen cliënten die behandelingen met opioïdeagonisten ondergaan als gevolg van het langdurige karakter van die behandelingen in de meeste landen waarschijnlijk nog steeds het grootste deel van de in drugsbehandelingsdiensten geïnvesteerde middelen in beslag. In 2022 werden naar schatting 1,7 miljoen mensen behandeld voor problemen in verband met het gebruik van illegale drugs in de Europese Unie (2,0 miljoen wanneer Noorwegen en Turkije worden meegerekend). Gespecialiseerde drugsbehandelingen behelzen een reeks medische (waaronder farmacologische), psychologische, sociale en gedragsmatige methoden om het gebruik en de injectie van drugs te stoppen of te verminderen. Over het algemeen krijgt de meerderheid van de cliënten één of andere vorm van behandeling met opioïdeagonisten; dit is de belangrijkste farmacologische behandelingsbenadering en wordt doorgaans gecombineerd met psychosociale interventies. Deze aanpak wordt ondersteund door het beschikbare bewijsmateriaal, dat duidt op positieve resultaten met betrekking tot het volhouden van behandelingen, het strafbare opioïdengebruik, het gerapporteerde risicogedrag, drugsgerelateerde schadelijke effecten en sterfgevallen. In recente richtsnoeren van het EMCDDA en het ECDC over de preventie en bestrijding van infectieziekten bij injecterende drugsgebruikers wordt aanbevolen behandelingen met opioïdeagonisten zowel op gemeenschapsniveau als in gevangenissen aan te bieden om de overdracht van HCV en hiv te voorkomen en om riskant injectiegedrag en de injectiefrequentie terug te dringen. In deze richtsnoeren wordt ook aanbevolen om naast de behandeling met opioïdeagonisten ook steriele injectiebenodigdheden beschikbaar te stellen, zodat de interventies zoveel mogelijk personen die opioïden injecteren weten te bereiken en een zo groot mogelijk effect kunnen sorteren.
Er blijven echter van land tot land belangrijke verschillen bestaan in de omstandigheden en vormen van de aangeboden behandelingen, alsook wat betreft in hoeverre behandelingen met opioïdeagonisten volstaan om te voorzien in de behoeften van de personen die deze vorm van zorg nodig hebben. De verstrekking van behandelingen met opioïdeagonisten is in sommige landen nog steeds duidelijk ontoereikend (zie Belangrijkste gegevens en trends hieronder). De relatieve rol van de ambulante en klinische hulpverlening in de nationale behandelingssystemen loopt ook aanzienlijk uiteen tussen de landen. Bijna een vijfde van de drugsbehandelingen in Europa wordt verleend in klinische omstandigheden, voornamelijk in ziekenhuizen (bijv. psychiatrische afdelingen), maar ook in therapeutische gemeenschappen en – in bepaalde landen – gespecialiseerde residentiële behandelcentra in gevangenissen. Behandelingen met opioïdeagonisten worden over het algemeen echter vaker aangeboden als ambulante zorg. Het kan daarbij gaan om gespecialiseerde drugsbehandelingscentra, laagdrempelige instanties en centra voor eerstelijnsgezondheidszorg, waaronder huisartsenpraktijken.
De beschikbare gegevens wijzen niet op een significante terugval in de verstrekking van behandelingen met opioïdeagonisten tijdens de COVID-19-pandemie, niettegenstaande de toen geldende verplaatsingsbeperkingen omwille van de volksgezondheid. Mogelijk zijn in die periode evenwel de dienstverleningsmodellen aangepast. Zo werd er vaker een beroep gedaan op telegeneeskunde en werd er minder restrictief omgegaan met de verstrekking van doses voor thuisgebruik. Bepaalde gegevens wijzen ook op een tijdelijke verstoring van de toegang tot zorg voor nieuwe cliënten die zich wilden laten behandelen met opioïdenagonisten ten tijde van de pandemie.
Voorzien in de complexere behoeften van de vergrijzende groep cliënten die in behandeling zijn voor opioïdegebruik
Het langetermijnkarakter van opioïdeproblemen komt duidelijk naar voren in de beschikbare gegevens over de kenmerken van personen die een behandeling met opioïdeagonisten ondergaan. Deze gegevens duiden er ook op dat de groep personen die problemen hebben gehad met heroïne in Europa aan het vergrijzen is. Hiervan getuigt het feit dat meer dan 70 % van de cliënten die een behandeling met opioïdeagonisten ondergaan, nu 40 jaar of ouder is, terwijl minder dan 10 % jonger dan 30 jaar is. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de dienstverlening, omdat diensten zich moeten richten op een complexere reeks van zorgbehoeften in een populatie die steeds kwetsbaarder wordt. In dit verband is het van vitaal belang dat er doeltreffende verwijspaden bestaan naar algemenere diensten die behandelingen aanbieden voor andere aandoeningen waarmee ouder worden gepaard gaat. Deze behoefte wordt steeds nijpender, om ondersteuning te kunnen bieden aan oudere cliënten van opioïdebehandelingen die geriatrische zorg nodig hebben vanwege de langetermijneffecten van illegaal drugsgebruik – maar ook de consumptie van tabak en alcohol – op hun fysieke gezondheid. Bij de behandeling van deze gemarginaliseerde groep mensen moet ook worden ingespeeld op een complexe en vaak reeds lang bestaande reeks problemen in verband met een slechte geestelijke gezondheid, maatschappelijke geïsoleerdheid, werkgelegenheid en huisvesting. De ontwikkeling van geïntegreerde, multidisciplinaire en leeftijdsgespecialiseerde zorgdiensten voor deze mensen blijft een belangrijke aandachtspunt voor het beleid en de dienstverlening, aangezien de demografie van het gebruik van opioïden in Europa blijft veranderen.
Polydrugsgebruik en de verschijning van zeer krachtige nieuwe synthetische opioïden op de lokale drugsmarkten kunnen de gevaren van opioïdengebruik vergroten, met name voor ouderen en personen met complexe zorgbehoeften. Op plaatsen waar zeer krachtige opioïden een vaste plek op de drugsmarkt hebben verworven, dient nader onderzoek te worden verricht om na te gaan of er aanpassingen moeten worden doorgevoerd om ervoor te zorgen dat de actuele behandelingsmethoden met opioïdeagonisten optimaal blijven. Daarnaast kan, zoals ook elders in dit rapport wordt opgemerkt, een verminderde beschikbaarheid van heroïne op de Europese markt de zorgvraag op dit gebied doen toenemen.
Meer informatie over gezondheidsgerelateerde en sociale reacties op opioïdegebruik, ook onder ouderen, is te vinden in het EMCDDA-document Gezondheidsgerelateerde en sociale maatregelen voor het aanpakken van de drugsproblematiek: een Europese gids.
Belangrijkste gegevens en trends
Aantal personen in behandeling
- Wanneer we een vergelijking maken met de huidige ramingen van het aantal opioïdengebruikers met een hoog risico in Europa, lijkt het erop dat in totaal de helft van deze groep een opioïdeagonistbehandeling volgde in de EU in 2022, dat wil zeggen naar schatting 513 000 personen (526 000 wanneer Noorwegen en Turkije worden meegeteld) (figuur 12.1). Er zijn echter verschillen tussen de landen. In de landen waarvoor gegevens uit 2011 of 2012 beschikbaar zijn voor vergelijking, was er in het algemeen sprake van een uitbreiding van de dekking. Het voorzieningenniveau blijft echter laag en ontoereikend in sommige landen die naar schatting aanzienlijke aantallen opioïdengebruikers met een hoog risico tellen, zoals Letland, Litouwen, Polen, Roemenië en Slowakije (figuur 12.2).
De trends in het aantal personen die in behandeling zijn met opioïdeagonisten zijn gebaseerd op 26 landen. Alleen landen met gegevens voor ten minste zeven van de tien jaren zijn opgenomen in de trendgrafiek. Ontbrekende gegevens worden geïnterpoleerd van omliggende jaren. Gegevens inzake leeftijdsverdeling zijn gebaseerd op 16 landen die 28 % (141 164) van alle geregistreerde cliënten in de Europese Unie vertegenwoordigen. Gendergerelateerde gegevens zijn gebaseerd op 17 landen die 18 % (93 612) van alle geregistreerde cliënten vertegenwoordigen. Gegevens met betrekking tot de behandelingsduur zijn gebaseerd op 7 landen die 7 % (34 300) van alle geregistreerde cliënten vertegenwoordigen.
Verdeling van cliënten in behandeling met opioïdeagonisten naar type medicatie: “SLROM” staat voor orale morfine met vertraagde afgifte en “DHC” is dihydrocodeïne.
Het bereik wordt gedefinieerd als het aandeel opioïdengebruikers met een hoog risico die aan een interventie werden onderworpen. De gegevens worden weergegeven als puntschattingen en onzekerheidsintervallen.
- Uit gegevens van landen die consequent verslag uitbrachten over cliënten die tussen 2010 en 2022 een behandeling met opioïdeagonisten ontvingen, blijkt dat de behandelingsniveaus in deze periode over het algemeen stabiel bleven, met weinig schommelingen in het aantal begunstigden. De redenen voor deze stabiliteit lopen uiteen. In landen met een hoge voorzieningsgraad van behandelingen kan dit een weerspiegeling zijn van de vaak chronische aard van opioïdeverslaving, die wordt gekenmerkt door een hoge incidentie van terugvallen, en de behoefte aan behandeling gedurende een lange periode; in andere landen (bijv. Letland) kan de stabiliteit dan weer te wijten zijn aan de geringe capaciteit van de behandelsystemen.
- Aan het begin van de COVID-19-pandemie probeerden de EU-lidstaten ononderbroken toegang tot behandeling met opioïdeagonisten te waarborgen voor drugsgebruikers die een groot risico lopen. Uit een vergelijking van de behandelgegevens tussen 2019 en 2022 blijkt dat het aantal cliënten stabiel bleef; alleen Kroatië en Hongarije meldden in deze periode een inkrimping van de groep cliënten in behandeling met opioïdeagonisten van meer dan 10 %. Deze verminderingen kunnen gedeeltelijk te wijten zijn aan de beperkte toegang tot behandeling tijdens de pandemie.
- In sommige landen steeg het aantal mensen in behandeling met opioïdeagonisten, duidend op een uitgebreidere terbeschikkingstelling van behandelingen: elf landen meldden een stijging tussen 2016 en 2022, waaronder Denemarken (37 %), Polen (54 %), Roemenië (17 %) en Zweden (21 %).
Toegangstrajecten voor behandeling
- Het traject van cliënten tijdens hun drugsbehandeling wordt vaak gekenmerkt door het gebruik van verschillende diensten, meerdere behandelingen en een variërende verblijfsduur. Zelfverwijzing is nog steeds de meest voorkomende weg naar gespecialiseerde drugsbehandelingen voor opioïdengebruikers. Deze vorm van verwijzing, die ook verwijzing door familieleden of vrienden omvat, was goed voor ongeveer twee derde (66 %) van de personen met primaire opioïdeproblemen die in 2022 in Europa aan een gespecialiseerde drugsbehandeling begonnen. Bijna een vijfde (23 %) van de cliënten werd doorverwezen door gezondheidsdiensten, onderwijsinstellingen en maatschappelijke diensten, zoals andere behandelcentra, en 7 % via het strafrechtelijk systeem.
Geneesmiddelen met opioïdeagonisten
- In 2022 werd in 26 landen melding gemaakt van de verstrekking van meer dan één geneesmiddel voor behandelingen met opioïdeagonisten. Methadon is het meest voorgeschreven geneesmiddel. Het wordt in Europa toegediend aan meer dan de helft (56 %) van de cliënten die met opioïdeagonisten behandeld worden. Daarnaast wordt nog eens 35 % van de cliënten behandeld met geneesmiddelen op basis van buprenorfine, dat in acht landen als belangrijkste geneesmiddel wordt gemeld. Andere middelen, zoals morfine met vertraagde afgifte of diacetylmorfine (heroïne), worden minder vaak voorgeschreven: zij worden door bijna 10 % van de opioïdeagonistcliënten in Europa gebruikt. Vijf landen meldden dat zij een vorm van behandeling met heroïne aanboden, als proefprojecten worden meegerekend (figuur 12.3).
Uitvoering op elk niveau wordt meegerekend, met inbegrip van proefprojecten.
Alternatieve behandelingsopties
-
In alle Europese landen bestaan ook alternatieve behandelingsopties voor opioïdengebruikers, hoewel deze minder gangbaar zijn dan behandeling met opioïdeagonisten. In de elf landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn, ondergaat tussen 5 % en 47 % van alle behandelde opioïdengebruikers interventies die niet worden geclassificeerd als behandeling met opioïdenagonisten, zoals medisch ondersteunde ontwenning en ambulante of klinische onthoudingsgerichte interventies.
Brongegevens
De gegevens zijn worden gebruikt voor het genereren van infographics en grafieken op deze pagina zijn hieronder te vinden.
De volledige reeks brongegevens voor het Europees Drugsrapport 2024, met inbegrip van metagegevens en methodologische aantekeningen, is beschikbaar in onze gegevenscatalogus.
De deelverzameling van deze gegevens die wordt gebruikt om infographics, grafieken en soortgelijke elementen te genereren op deze pagina is hieronder te vinden.